We hebben collectief onze zinnen gezet op verandering. Het MOET anders. Alles.
Of het nu gaat om de politieke koers, de pensioenvoorzieningen, onze omgang met de natuur, de immigratie, hoe we ons onderwijsstelsel inrichten, hoe we omgaan met de sociale media… Het MOET allemaal anders.
Transformatie is HET woord.
Het staat in de beleidsnota’s, in cursusfolders, in zelfhulpboeken, op LinkedIn-profielen. Het is wat mensen en organisaties willen en beloven.
Maar transformatie of ‘verandering’ suggereert een lineaire beweging, van A naar B, die je zelf in de hand hebt, aanstuurt en het is iets wat het liefst ook nog meetbaar is. Men zegt dan: ‘We werken nu beter samen, het is transparanter, eerlijker, duurzamer geworden, ik heb veel geleerd...’
Met ander woorden we werken aan transformatie. We sturen het aan. Transformatie is daarmee een woord dat gedijt in de wereld van rede, planning en controle. Want dat het anders moet, is duidelijk, en we zijn inventief genoeg om weer ergens een transformatieproces in gang te zetten met grote beloften.
Metamorfose daarentegen, is iets totaal anders. Het komt uit het Grieks: meta (voorbij) en morphē (vorm).
Voorbij de vorm.
Tijdens een metamorfose wordt iets wat het - van binnen - al die tijd al was. De rups wordt een vlinder. Lood wordt Goud. Iets verandert van vorm, structuur en krijgt een totaal ander lichaam, een ander leven, een andere plek in de wereld.
Er is een mooi oud verhaal over:
Ergens in het oude Frygië, vertelt Ovidius, stonden een eik en een linde, die samen groeiden voor een kleine tempel. Hun takken waren zo verstrengeld dat je niet kon zien waar de een ophield en de ander begon. Voorbijgangers hingen er lintjes in. Verliefden brachten er offers. En wie het verhaal kende en wist wat er voor verhaal achter zat, kon niet anders dan in ontzag blijven staan.
De bomen hebben een naam. Ze heetten Filemon en Baucis. Het waren ooit mensen. Hun verhaal is een prachtig, vrij onbekend verhaal uit de klassieke mythologie. Het gaat over wat wij allemaal zijn kwijtgeraakt.
Ik heb het over metamorfose. Over wat de oude alchemisten ‘het grote werk’ zouden hebben genoemd. Over die veranderingen die we ondergaan, zonder dat wij aan het stuur zitten, en die soms iets openbaren wat we zelf nooit hadden kunnen bedenken.
Transformatie of metamorfose?
Ovidius
Ovidius, die zijn grote werk niet voor niets ‘Metamorphoses’ noemde, wist dit. In zijn vijftien boeken staan honderden verhalen over mensen die veranderen in bomen, dieren, sterren, stenen, bloemen, echo’s. En bijna altijd gebeurt de metamorfose op het kantelmoment. Op het punt waar de oude vorm niet meer werkt of niet meer handig is.
Maar eigenlijk zijn er twee soorten metamorfoses.
Zo heb je allereerst de vrouwen die, nadat ze slachtoffer zijn geworden van een begerige godheid, als bescherming van vorm veranderen. Zo wordt Daphne in een laurierboom om aan Apollo’s begeerte te ontsnappen, Io wordt een koe, Callisto een berin. Metamorfose is dan een vlucht, een straf, of een tragisch escapisme. Niet toevallig zijn het vaak vrouwen als slachtoffer van een god die zich niet kan beheersen.
Maar Ovidius heeft ook een ander soort metamorfose beschreven. Een metamorfose uit liefde. Omdat iets is voltooid. En daarvan is het mooiste verhaal - vrij onbekend - van een oud, arm echtpaar dat op een dag twee bezoekers ontving.
Filemon en Baucis
Zeus en Hermes reizen vermomd door het land van Frygië. Ze zijn moe, ze zijn hongerig, en ze weten dat ze zich in gedaante van arme wandelaars niet welkom weten. Bij duizend deuren kloppen ze aan. Duizend deuren worden voor hun neus dichtgeslagen.
Tot ze aankomen bij een klein huisje op de heuvel met een rieten dak en muren van klei. Binnen wonen Filemon en Baucis, oud geworden en arm. Ze openen de deur en verwelkomen hun gasten, ze steken het vuur aan, ze halen tevoorschijn wat ze in huis hebben: een stukje spek, een paar olijven, wat kaas. Baucis loopt heen en weer, verontschuldigt zich dat het zo weinig is. Filemon vangt nog even hun oude gans om die te slachten voor de gasten, de enige gans die ze nog hebben.
Maar de gans vlucht naar de gasten toe, en Zeus en Hermes zeggen: ‘Laat hem. Wij zijn goden. Wij hebben deze gastvrijheid in duizend huizen niet gevonden.”
Dan gebeurt er een wondertje. De wijn die ze schenken raakt niet op. Baucis kijkt naar de kruik en ziet dat hij zich vanzelf blijft vullen.
‘Kom mee naar buiten...’ zeggen de gasten dan.
Samen trekken ze de heuvel op. En als Filemon en Baucis omkijken, zien ze dat het hele dorp beneden hen onder water is gelopen. Alleen hun eigen kleine huisje staat er nog, en verandert voor hun ogen in een tempel met marmeren zuilen, gouden dak, alles wat ze nooit hadden kunnen betalen.
Vraag maar, zeggen de goden, wat willen jullie?
En hun wens is aandoenlijk. Ze willen priester en priesteres worden van deze tempel, dienaren van de goden die hen bezocht hebben. En ze willen op datzelfde moment sterven. Zodat geen van beiden ooit de ander hoeft te begraven en de een niet hoeft rond te dwalen zonder de ander.
En zo geschiedt. Ze leven nog jaren, als priester en priesteres van de tempel, en op een dag, heel oud geworden, staan ze samen voor de zuilen. En ze zien op elkaars gezicht bladeren verschijnen. Takken groeien uit hun armen. Ze hebben nog net de tijd om elkaar aan te kijken en te zeggen vaarwel, geliefde. En dan zijn ze een eik en een linde. Verstrengelde takken. Samen ineen-groeiend voor de tempel.
Nog eeuwenlang, zegt Ovidius, hingen er lintjes en offerslingers in hun bladeren, van reizigers die kwamen om hen te eren.
Wat dit verhaal precies zegt over metamorfose
Filemon en Baucis ondergaan geen transformatie. Ze hebben geen training gevolgd of advies gekregen over hoe nu verder, geen groeiplan gemaakt, of hun hogere doel bepaald, laat staan dat ze hun CV paraat hebben.
Hun liefde is zo compleet dat de vorm mens niet meer past. En de goden gunnen hen een nieuwe vorm.
Bomen leven langer dan mensen en kunnen hun takken verstrengelen. Bomen sterven samen. Bomen worden bezocht door mensen die iets van hun rust en bezinning zoeken. En zo worden Filemon en Baucis niet minder, maar meer. Ze worden dat, wat hun liefde altijd al uitdrukte.
Dat is wat metamorfose doet. Ze voltooit iets. Het is geen ontsnapping, geen straf, geen leerproces, maar een geschenk van de goden, een magische gebeurtenis die plaatsvindt omdat je klaar bent om iets anders te worden dan je was.
Het gebeurt vanwege dat wat al in wezen aanwezig is. Omdat ze hun deur altijd opendeden en alles deelden, waar andere deuren dicht bleven.
Een ander voorbeeld
Ovidius vertelt ook over hoe Ceyx op een dag wegvaart voor een zeereis, en in een storm omkomt. Zijn vrouw Alcyone rouwt op de kust en droomt dat hij dood is. Als zijn lichaam aanspoelt, kan ze het niet verdragen. Ze springt de zee in om bij hem te zijn en op dat moment verandert ze in een ijsvogel.
Ceyx verandert ook in een ijsvogel en elk jaar bouwen de ijsvogels een nest op de golven van de zee.
En elk jaar, zegt Ovidius, zorgen de goden dat de zee zeven dagen kalm ligt voor het paar dat bij elkaar wilde blijven: De ‘alcyonische dagen’. Daar komt de uitdrukking ‘Halcyon day’s vandaan: gouden, kalme dagen van geluk.
Ook hier is de metamorfose de vervulling.
Wij leven in een tijd van transformatie. Er wordt aan de lopende band getransformeerd. In zelfhulpgroepen, in bedrijven, in coachtrajecten, in relaties, in wellness-retraites. Iedereen werkt aan zichzelf. Iedereen is aan het worden. En er is niets mis met dat werk. Maar er is iets waar we minder snel bij stilstaan, namelijk dat er in ieders leven momenten zijn, waarop je niet werkt aan wat er gebeurt, maar waarin een diepgaander proces plaatsvindt.
Verlies, ouderdom, ziekte, plotselinge inzichten die je niet meer kunt terugstoppen, liefdes die je overvallen, kinderen die uit je lichaam komen en die je nooit had kunnen verzinnen. Dat zijn geen transformaties. Dat zijn metamorfoses.
Oude verhalen herinneren ons aan dit wonderlijke proces. We hoeven niets altijd aan te sturen, te regelen of ons best te doen, maar vooral toestaan dat het plaatsvindt.
Overgave dus.
We hoeven ons alleen maar open te stellen voor de gast, voor het moment, voor wat komt.
Opdat de metamorfose die ons dan overkomt, veel mooier is dan wij haar zelf hadden kunnen ontwerpen.
Alchemie
Het westerse begrip voor metamorfose vinden we in de Alchemie, die tot ver in de zeventiende eeuw een spirituele traditie was. Men geloofde dat stoffen en mensen konden worden getransmuteerd. Van lood naar goud.
Van materia prima naar lapis philosophorum, de steen der wijzen.
En het proces kende drie klassieke fasen:
· nigredo (het zwart worden, de afdaling, de dood)
· albedo (het wit worden, de zuivering, het licht in het duister),
· rubedo (het rood worden, de heelwording, de vervulling).
Alchemie past wellicht tussen transformatie en metamorfose in.
Hoe hard hij ook werkte, elke alchemist wist dat werkelijke transmutatie niet door de mens zelf werd veroorzaakt. Hooguit zijn de voorwaarden en omstandigheden zo gunstig, dat het gewoon gebeurde, omdat er omdat er iets sluimerde dat, onder precies deze juiste omstandigheden, zich kon openbaren.
Dat is precies wat metamorfose is. En wat Filemon en Baucis overkomt: hun leven lang zijn ze gastvrij geweest, deelden ze alles wat ze hadden, en op een dag opende zich ín hen iets wat er altijd al in sluimerde. De goden schiepen de voorwaarden, maar de metamorfose vond vanzelf plaats.
Jung had het over alchemie als de laatste westerse traditie die de metamorfose serieus nam voordat de wetenschappelijke revolutie kwam. Toen de scheikunde afscheid nam van haar oudere zus de Alchemie, verloor het tegelijk de taal om over wezenlijke vormverandering te spreken. Wat overbleef was transformatie: een woord voor iets wat je zelf doet, met een plan, in stappen. Dat wat we nu overhouden.
Wat Philemon en Baucus overkomt, is wat de alchemisten ‘Het Grote Werk’ noemden. Een langzame rijping, onder de juiste omstandigheden, waarna zich iets openbaart wat er altijd al was. Een soort wonder.
Tja… Al die woorden en begrippen over wat verandering is.
Transformatie, groei, mindset shift, ontwikkeling. Het merkwaardige is dat we het woord metamorfose hebben overgelaten aan biologielessen over vlinders. En het oudere zusje - alchemie - hebben we gedegradeerd tot bijgeloof, of fantasy. Terwijl beide woorden ooit precies verwezen naar iets wat we vandaag hoognodig weer nodig hebben: het besef dat de belangrijkste veranderingen niet van ons uitgaan, maar dat we ze, als we ons openstellen, mogen ondergaan.
Transcendentie
En dan is er nog een woord: Transcendentie.
Transcendentie belooft nog iets veel radicalers dan de andere twee: geen nieuwe vorm, maar helemaal geen vorm meer. De ziel die het lichaam achter zich laat. Trans = voorbij; Scandere = klimmen.
De goden hadden Filemon en Baucis makkelijk kunnen laten transcenderen… hen naar de Olympus kunnen tillen, weg van hun arme hutje, hen goddelijk maken. Maar dat deden ze niet. Ze maakten van hen bomen. Wortels, schors, takken die naar de hemel reiken maar in de aarde blijven staan.
Niet alles wat groter is dan wijzelf, vraagt om het lichaam te verlaten. Soms vraagt het om dieper te wortelen in het lichaam dat we al hebben.








Sodeju Mieke. Wat goed en mooi. Dankjewel.
Mooi. Klinkt als 'De geest in ‘de fles’ (een lichaam) worden ... en daar vorm aan geven :)'